Siebe de Boer
PortfolioWeblogTekstenInfoLinks

Gitta Snijders 'A Nighttime Ride trough an Artificial World' – An interview with Siebe de Boer,
uit: 'Let's bake the Future: Frank Mohr Institute 2007', 2007 ISBN:978-90-779623-02-2

Heeft hij zijn huis, zijn wijk, gekozen vanwege het uiterlijk? Achter het asfalt van het Damsterdiep in Groningen bevindt zich een smalle fabrieksstraat, geflankeerd door pragmatische bakstenen flats van een verdieping of vijf, met lange rijen ramen. De lange straat had een still kunnen zijn uit zijn werk, ware het niet dat het nog niet duister genoeg is. De nacht is nog niet gevallen.

“De vervreemding is het grootste in de nacht, als het natuurlijke licht ons in de steek laat en wij ons volledig overgeven aan de elektriciteit.” Siebe de Boer (1982) legt uit waarom zijn steden alleen bij nacht bestaan. Het is een logisch gevolg van wat de kern is van zijn werk: de vervanging van het natuurlijke door de techniek. Geen daglicht meer, maar het licht van straatlantaarns. Geen bomen meer, maar de torenende muren van gebouwen. Siebe ziet de steden in zijn computeranimaties als de herschepping van de natuur, een wereld herschapen door zijn bewoners, waarin het natuurlijk organisme is vervormd, beteugeld en verbeterd. Zijn steden tonen de technische sporen van de mens. Paradoxaal genoeg schittert juist diezelfde mens door afwezigheid.

De steden bestaan alleen in de korte, computergegenereerde films die hij maakt, ze kennen niet ergens buiten de digitale wereld een ‘echte’ evenknie. Zijn steden zijn desolaat en donker, alleen verlicht door rijen ramen en lantaarnpalen. Niets leeft, niets ademt, niets beweegt, behalve de voortrazende treinen. Alle organische sporen zijn verdwenen, tot aan het laatste sprietje gras. Volgens Siebe is alles wat overblijft een “artificieel cyborg landschap”. De steden bestaan uit hoekige gebouwen, het licht van straatlantaarns, straten en spoorrails, alles gedompeld in die eeuwige nacht. Het zijn sprookjesachtige, bijna magische plekken, zoals ze zich stil en vreemd aan de toeschouwer ontvouwen. Siebe voert zijn kijkers mee op een reis als door een droom, waarvan, eenmaal met de beweging meegezogen, het moeilijk is je te ontrukken.

Siebe heeft een opvallende ontwikkeling doorgemaakt: in zes jaar tijd is hij van ongeduldige tekenaar, iemand die vel na vel volkrabbelde, veranderd in een computerkunstenaar die dagen bezig is met alleen maar wachten. Wachten tot zijn computer klaar is met berekeningen. De laatste maanden bij het Frank Mohr Instituut zwierf hij ‘s nachts alleen door de gangen, wachtend tot de computers hun berekeningen hadden voltooid. “Een vriend gaf me een midgetgolf-set, zodat ik tenminste wat te doen had in die lege gangen. Eigenlijk is het rotwerk. Het is dat ik het voor mijzelf doe. Ik zou het niet voor iemand anders kunnen doen.”

Zijn korte films gaan dan ook over een zeer persoonlijke ervaring, een ervaring die zijn kijk op zijn omgeving misschien wel voorgoed heeft veranderd. Het is de ervaring van het Sublieme, specifieker nog: de ervaring van het Technologisch Sublieme.

Je bent niet de eerste die gefascineerd is door het Technologisch Sublieme. In je thesis “Het Sublieme: De eeuwige afwisseling tussen enthousiasme en ironie” beschrijft je de geschiedenis van het Sublieme en het technologisch Sublieme door de eeuwen heen. Wat betekent het Technologisch Sublieme voor jou?

“Het sublieme is van origine één van de kenmerken van de Romantiek, waarin de beleving van het landschap een belangrijk gegeven was. Ook in deze periode stonden onze natuur en de vooruitgang in een gespannen verhouding. De grote denkers van de Verlichting en de Romantiek, zoals Kant, Schiller, Rousseau, hebben allemaal hun ideeën over wat het Sublieme is. Het sublieme kenmerkt zich als een geestelijke toestand waarin de emotie tegenover het verstand staat bij een confrontatie met een grootse kracht, die het voorstellingsvermogen te boven gaat. Tijdens zo’n ervaring is er zowel plaats voor angst als bewondering tegelijk. Eenzaamheid, melancholie, stilte en vervreemding versterken de sublieme ervaring en maken het een hele intense gebeurtenis. In onze huidige wereld, waar steden en technologie langzaam de natuur vervangen, is de ervaring van het Sublieme nog steeds mogelijk, denk maar aan de sky-line van New York. Het technologisch sublieme verlegt de relatie van mens tegenover natuur, naar mens en mensgemaakt. Het Technologisch Sublieme is, net als bij de romantici, het gevoel dat je als mens geconfronteerd wordt met iets wat grootser, wat magnifieker is dan jij, maar het wonderlijke aan het Technologisch Sublieme is dat dit landschap door de mens zelf gemaakt is. Dat wat wij creëerden, maakt ons nu zo nietig. Dat is, behalve overweldigend, ook beangstigend. Wij hebben er geen controle meer over. Dat gevoel is het Technologisch Sublieme.

Met mijn steden wil ik in de eerste plaats mijn eigen beleving van het Technologisch Sublieme overbrengen. Zelf heb ik het ervaren toen ik door het donker in Friesland liep. De weg was amper verlicht en de directe omgeving was zeer moeilijk te onderscheiden van de nacht. Achter mij zag ik vanuit de verte de lichtjes van de trein, de laatste die nacht. Parallel aan de spoorweg stonden een rij elektriciteitsmasten die zich tot in de oneindigheid leek uit te strekken. In deze kunstmatige wereld leek de natuur het onderspit te delven, de technologie was zo veel grootser aanwezig. In Friesland! Het was een voorstelling van pure magie. Het verwarde me en het verwart me nog steeds. Ik loop vaak ’s nachts alleen door de stad: dat is een onwerkelijke beleving. Als ik, badend in het licht van de talloze straatlantaarns om mij heen, enigszins vat probeer te krijgen op waar ik eigenlijk naar kijk, tast ik volledig in het duister. Dat onvoorstelbare is wat voor mij de magie en verwondering in de stad behelst. Door deze wereld te herconstrueren in mijn werk probeer ik deze ervaringen over te brengen en er wat meer grip op te krijgen, de magie te vangen. Maar het is ook een zeer ambivalente soort magie .”

Waarom is die magie van het Technologisch Sublieme zo ambivalent?

De kunstmatige wereld die we voor onszelf hebben gecreëerd is ook beangstigend. We zijn er afhankelijk van geworden, tot op het punt dat we niet alleen de natuur met techniek vervangen, maar ook onszelf. De confrontatie met de technologische sporen in een levenloos landschap herinnert ons daaraan. Onze technologische vooruitgang stelt ons in staat grotere stappen te maken dan onze geest aan kan. Hoewel wij deze nieuwe middelen met open armen ontvangen zijn er maar weinig mensen die begrijpen hoe ze werken. Wij gebruiken de techniek als oplossing, maar tegelijkertijd begrijpen wij het niet.”

Je combineert in je werk het gebruik van houtskool en de computer met zijn binaire codes, als een weerspiegeling van de tegenstelling tussen het organische en technologische in je steden. Vorm en inhoud zijn op elkaar afgestemd. Waarom ben je de technieken gaan mengen?

De potlood- en houtskooltekeningen geven een structuur aan de gladde computergegenereerde vlakken. Het geeft de wereld een eigen handschrift en tastbaarheid die de computer mist. Het werken met de muis op de computer schept een vervreemding met het werk, daar waar het tekenen met potlood juist heel direct en tastbaar is. Maar tekenen alleen is te plat. Ik was altijd al geboeid door de sfeer van verstedelijkte landschappen. Het idee van een tocht, een reis door het landschap, en de ervaring die dat meebracht was niet te vatten in een tekening. Ik begon de plekken echt na te bouwen, met een soort kijkdozen die ik beplakte met mijn tekeningen. Door het knippen werd het alleen een erg rommelig geheel. Als experiment ben ik met de computer aan de slag gegaan om een digitale maquette te maken, zodat ik ook wat makkelijker kon experimenteren met licht en vorm. Deze digitale kijkdoos bleek veel interessanter te zijn dan zijn voorganger. Ik zag ook de mogelijkheid om er een film van te maken, iets wat ik al lang wilde. Het eindresultaat was mijn eindproject op Minerva. Bij het FMI heb ik daarna mijn werk hard moeten verdedigen. Het probleem is dat mijn werk moeilijk te plaatsen is. Mijn werk is mediakunst, maar plaats je het tussen schilderijen of toch liever tussen computerwerk? Zoveel mensen, zoveel meningen. Mediakunst is nog zo nieuw, en volgens sommigen weer helemaal niet. Het moet gaan over techniek, en volgens anderen ook weer niet. Ik weet het ook niet, maar voor mijn werk maakt het niets uit. Ik heb in ieder geval wel heel scherp moeten leren nadenken waarom ik het wél wilde. Ik moest gewoon iets doen met mijn verwondering voor de techniek in landschappen.

Ik moet het ook wel echt willen doen, want de filmpjes die ik maak, zijn zo veel werk. In vijf minuten kan je wel 30 schilderijen stoppen. De laatste twee maanden ben ik dag en nacht met het werk bezig geweest. Ik vind het heerlijk, maar slopend. De computer moet alles berekenen: waar de schaduwen vallen, hoe de hoeken lopen. Soms ben je met een stukje van een paar seconden wel 3 of 4 dagen bezig voor je het kan zien. En als je het eindelijk kan zien, dan blijkt dat er een frame niet goed aansluit, of dat een lichtbaan verkeerd valt. Dan mag alles opnieuw.

Mensen zijn ondanks de sporen van technologie, voelbaar afwezig in je werk. In je eerste film duiken er nog hier en daar schimmen van mensen op, in je laatste film is al het organische verdwenen. Wat was hiervoor de reden?

“In mijn eerste filmpje zag je inderdaad nog mensen, maar dat werkte niet zo goed. Het was te veel, het gevoel werd niet echt. Ze pasten niet in de wereld die ik wilde scheppen. Juist het feit dat je geen levende ziel meer ziet, maakt de omgeving tot hoofdrolspeler. Door er een persoon in te zetten, kwam er een menselijke maat in terug en kreeg de mens weer de hoofdrol. Ik heb heel doelbewust al het levende materiaal weggehaald. In mijn eerste filmpje had ik ook nog wat weilanden. Weliswaar was het geen herkenbaar gras, maar een recht, groen vlak, maar ook die verwijzing naar iets zo organisch als gras vond ik niet interessant.

In zekere zin bestaan mijn steden in een vacuüm, ze zijn digitaal, ze hebben nooit bestaan. Het raakt aan Baudrillards theoriën, die als vierde en laatste fase van het beeld de simulacra onderscheidt: objecten en werelden die alleen nog in een digitale realiteit bestaan. Ik heb me er nog niet heel erg in verdiept, maar wil dat in de toekomst zeker gaan doen, want het is opvallend hoe zeer het toepasbaar is op mijn werk. Mijn werk is een wonderlijk niks, het zijn enkel binaire codes. Ik kan er niet op stampen. Het is ongrijpbaar, zo’n 3D-blokje bestaat eigenlijk gewoon niet. Het heeft ook nooit leven gehad, er is geen zuurstofmolecuul in te bekennen. Het is steriel: het heeft nog nooit een stofje gezien, het is nog nooit verregend, het is puur.

In je films voer je de kijkers mee op een reis door jouw stad, geheel volgens jouw plan ontworpen, bewegend volgens jouw wetten. Er is geen mogelijkheid om te ontsnappen aan de beelden die je de kijkers wil laten zien, geen andere mogelijkheid dan volgen en ervaren. Waarom heb je niet gekozen voor een interactieve omgeving?

“De camerabewegingen refereren aan een architectonische fly-through, zoals het gebruikt wordt bij de presentatie van nieuwe bouwprojecten. Daarnaast zorgt de onafgebroken camera-beweging ervoor dat de kijker zijn blik niet meer af kan wenden van wat hij meemaakt en is het makkelijker voor de kijker om zich te verenigen met de camera. Hij wordt opgetild en als in een droom worden verschillende ervaringen aaneengeregen tot een nachtelijke rit door een kunstmatige wereld, waarin de technologie de hoofdrol speelt.

Ik vond het wel een logische stap, ik was in mijn tekeningen altijd al bezig geweest met dat soort sfeer, dat soort beelden. Ik wist altijd al wel wat ik er mee wou, maar het kwam nooit echt over. Door de beweging krijg je echt het gevoel dat je in het donker door de stad zwerft. Het is anders dan een statisch beeld als bij een tekening, want je kan er nu echt in. Zo’n virtuele camera geeft je de mogelijkheid erover heen te gaan, en er in, en er tussendoor. Maar wel volgens mijn plan. Als ik met een camera door de stad zou lopen en die beelden zou gebruiken, dan zou het toeval een rol spelen. Juist doordat ik het van de grond af bouw zoals ik wil dat het is, en dat het ook een rotwerk is om het te bouwen, dat maakt het echt.

Het is mijn wereld, dus ik beslis hoe we er naar gaan kijken. Op dit moment wil ik geen Virtual Reality, waarin mensen kunnen rondlopen volgens hun eigen route. Ik ben de reisleider die bepaalt wat er gezien wordt, wanneer het gezien wordt. Het zou een andere ervaring worden als mensen zelf hun pad mogen kiezen, dan zijn ze veel meer bezig met het maken van de keuzes (hier links, hier rechts) dan met de ervaring van het landschap. Uiteindelijk wil ik het gevoel dat ik had, midden in dat donkere weiland in Friesland, overbrengen. De ervaring van verbazing, van nietigheid, van verwondering, dat sublieme gevoel, is van mij, maar dat wil ik best delen.